Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


donderdag 12 mei 2011

Post

Deze kille en regenachtige dag lijkt me uitermate geschikt om eens wat hartverwarmende post te behandelen. Post dus, die het hart verwarmd, al zal je de mensen de kost moeten geven, die de voorkeur geven aan de spelling hardverwarmend (en hardverscheurend), zoals in het amusante boekje Aarsrivalen, scheldkarbonades en terminale baden van Ewoud Sanders over “taalinfecties” valt te lezen. Blijkens een inventarisatie op  Internet en in kranten hebben Nederlanders de meeste moeite met het woord origineel. Dat wordt veelvuldig geschreven als orgineel. Grote problemen hebben we ook met barbecue, dat men regelmatig als barbeque in kranten en op het Internet tegenkomt.
Omdat wij nogal gemakkelijk en veelvuldig woorden uit een andere taal overnemen, vallen in die categorie dan ook de meeste en vaak uiterst amusante verhaspelingen te constateren, met name in de culinaire sector. Daar moet wijn regelmatig antichambreren, krijgt men appelcompost voorgeschoteld of vindt men zelfs een tamponade (in plaats van tapenade) op zijn bord. Eet smakelijk.
Terug naar de ontvangen post, die ik met een beetje goede wil zelfs best hardverwarmend zou durven noemen, maar dan hard in de betekenis van snel. Volgens sommige puristen is dat geen correct Nederlands. Ik heb menigmaal iemand door een ander op de vingers horen (?) tikken, toen hij zei: “Je rijdt te hard”. Dat zou moeten zijn: “Je rijdt te snel”. Mijn tot Miep gepersonificeerde navigatrice gaat dit taalkundige probleem zorgvuldig uit de weg, door mij te corrigeren met de volzin “U rijdt boven de maximum snelheid”.
 Ik word helemaal gek van dat mens, maar zal de taalkundige kant ervan eens aan de redactie van Onze Taal voorleggen, want ik weet het niet. Je spreekt toch ook over “hardrijden op de schaats”. En hoe zit het dan met iemand, die hardleers is. Dat is toch iemand, die (iets) niet zo snel leert of wil leren. Terwijl we net hebben vastgesteld, dat hard eigenlijk juist snel betekent…. Wie het weet mag het zeggen.
Van een huisschilder uit het kunstenaarsdorp Bergen (NH) ontving ik het volgende gedichtje. Hij schreef er niet bij, of hij de tekst zelf had aangebracht, dan wel in de buurt van (toepasselijker kant het niet) het kuuroord Freudenstadt op de bewuste boom had aangetroffen.
In een Zwarte Woudse  beukenbast,
Stond in schuin en sierlijk schrift gekrast:
“Hier werd, door dadendrang gedreven,
Gewerkt aan een nieuw mensenleven.
Het werd tenslotte Elly van der Kwast”

Een trouwe lezeres vroeg, waarom ik nooit eens iets schrijf over mijn zoon (Arnold), maar wel regelmatig de gesprekken met mijn dochter (Gerda) hier weergeef. Die ze overigens heel vermakelijk vond, maar zich soms toch een soort voyeur voelde. (Ik weet niet of er een vrouwelijk equivalent voor voyeur bestaat. Misschijn zijn er wel helemaal geen vrouwelijke voyeurs. Of laat de taal het ook hier weer afweten, want hoe noem je nou bijvoorbeeld een vrouwelijke kwajongen, of majoor? Een majorette? Of een maître d’hotel? Een maîtresse? Dan wel een kabouter?).  Ik heb het mailtje van de lezeres maar doorgestuurd naar mijn zoon, met alle gevolgen van dien, want  vrouwelijke belangstelling laat hem meestal niet onberoerd en zet hem altijd wel tot enige vorm van activiteit aan. Wat misschien ook wel de bedoeling van mijn lezeres was. Ik houd u in ieder geval op de hoogte, voor zover de betamelijkheid me dat tenminste veroorlooft.

Een hele lijst met vragen betreffende uiterlijk, gewoonten en liefhebberijen van mijn dochter, afkomstig van een boswachter uit Urk heb ik op uiterst creatieve wijze, zij het niet geheel conform de waarheid beantwoord. Ongetwijfeld in de geest van Gerda. Hoop ik.
Verder nog wat vragen en opmerkingen ontvangen over mijn soms wat lange en moeilijke zinnen, mijn burgerlijke staat en mijn politieke en nog wat andere, hier verder niet met name te noemen voorkeuren.

woensdag 11 mei 2011

Honderheuvel

Benieuwd naar de  vorderingen met zijn boek over grafschriften belde ik vandaag mijn vriend Lodewijk van Alladin om naar de stand  van zaken te informeren.
- En schiet je op?
- Wáárop?
- Met je boek.
- Oh, die grafschriften.. Ja, ben ik bijna mee klaar. Verschijnt in het najaar, vlak voor de Frankfurter Buchmesse. Zou leuk zijn, als je het tevoren  zou kunnen lezen. Misschien kunnen we een afspraak maken.
- Goed idee, maar dat wordt dan pas over een maand. Woensdag 29 juni bijvoorbeeld? Schikt dat?
- Even kijken… nee, dan heb ik een begrafenis….
- Een begrafenis?
- Van Gretta Honderheuvel.
- Honderheuvel? Wat een rare naam. Zou haast door Bordewijk bedacht kunnen zijn.
- Het schijnt ook een raar mens te zijn. Hoor maar wat er op haar zerk  staat:
Hier rust  Gretta Honderheuvel,

Zij ging mank, en wel aan’t euvel,
Dat zij ook als activiste,
Iedere beschaving miste.

Eigenlijk zou daar nog aan toegevoegd moeten worden:
En het iedereen nu ook gaat dagen,
Waarom Wim dit wicht niet kon verdragen.
-

Ja, ja, nou begrijp ik het…
- En wat er stoffelijk van haar overschiet, wordt per kruiwagen aangevoerd.
- Nou zeg, is dat niet een beetje… eh… hoe zal ik het zeggen?
- Oneerbiedig? Ja, misschien wel, maar geen begrafenisondernemer wil er zich aan branden. Trouwens, volgauto’s waren sowieso al niet nodig, want er zijn geen volgelingen. Ja, eentje, een oud-politicus, maar die wil op de racefiets komen. Dat wordt een heel bijzondere dag. Ik verheug me er nu al op.
- Nou Lo, dan moeten we maar een andere dag afspreken. De 30e juni bijvoorbeeld?. Kan ik meteen horen, hoe het allemaal gegaan is.
Ik vergat hem nog te vragen, of hij het grafschrift zelf geschreven had. Sommige mensen zijn hun tijd ver vooruit. Lodewijk is er één van.

Diezelfde dag ook mijn dochter nog maar even gebeld.
- Hoi pap, waar ben je? Vermaak je je een beetje?
- Ik sta hier temidden van geurende seringen.
- Dat kon minder. En brengen ze ook herinneringen? Trouwens: wie is die Honderheuvel? Ken ik die?
- Ik denk het wel, maar hoop het niet.
- En moet het niet Wonderheuvel zijn, met de w van wee? Als jij het over vrouwen hebt, kan ik me bij Wonderheuvel nog iets voorstellen, maar Honderheuvel…. daar kan ik niks van maken.
- Denk dan maar eens goed na. Bovendien: als je goed gelezen had, zou je kunnen weten, dat ik het dit keer toevallig eens niet over vrouwen had.
- Da’s zeker toevallig. Waar had je het dán over?
- Léés maar. Er staat dit keer gewoon wat er staat.
- Grappig: toen ik die naam las, moest ik óók meteen aan Bordewijk denken. Honderheuvel…. Het zou een meisje uit de klas van Bint kunnen zijn. Een klasgenootje dus van Van de Karbargenbok. Was dat niet die jongen, die af en toe naar een insect hapte?
- Dat heb je goed onthouden. Is die opleiding toch niet helemaal voor niks geweest. Weet jij overigens, waar de delicatesse van een forel zit?
- Hoe kom je dáár zo ineens bij? Dat weet toch iedereen: achter het oog.
- Oh… eh…ja. Ik geloof, dat ik weer even lekker buiten ga zitten. Prachtig weer hier. Ben al aardig verbrand en aan het vervellen.
- Als je maar niet aan die velletjes gaat zitten pulleken.
+++++++
Een reisje langs de Rijn
Met een vrouw ter linker of ter rechter zij,
Is het meestal aangenaam verkeren.
Dat begon al met de mooie Lorelei.
En nu ga ik eens met een Keulse potverteren.
Toen ik haar daarna had weten te versieren
Hadden wij getwee bij Lobith wat te vieren,
Dus zei ik tot de Keulse: “Potverdorie:
Duitse deeglijkheid en Hollands glorie.
+++++++
Is het u wel eens opgevallen, hoe vaak wij de werkwoorden zitten, staan  en liggen gebruiken, zonder dat het ook maar iets met zitten, staan of liggen te maken heeft. Wij staan bijvoorbeeld iemand te woord of naar het leven, maar met een verticale lichaamshouding heeft dat niets te maken. Wat ook al blijkt uit het feit, dat wij iemand niet  te woord of naar het leven zitten.
Zo kan men ook in zak en as zitten, terwijl men er rustig bij kan staan. En iemand, die met een ander in scheiding ligt, ligt juist liever niet meer met de ander.
En nu begrijpt u waarschijnlijk ook, waarom de politie zo weinig boeven vangt. De politie zit de criminelen wel achterna, maar dat schiet in die lichaamshouding natuurlijk niet op. Desondanks wil het nog wel eens voorkomen, dat de politie iemand staande weet te houden, al valt dat bij een dronkenlap niet altijd mee. Dan ligt  het er maar aan, hoe diep hij in het glaasje heeft gekeken.
Er zijn natuurlijk in onze mooie, maar vaak onbegrijpelijke taal weer uitzonderingen en twijfelgevallen. In de dienstverlenende sector staat een butler ter beschikking van de aristocratische familie, die hem kan bekostigen, maar in een heel ander dienstverlenend beroep wil een vrouw nog wel eens ter beschikking van iemand liggen. Dat zit dus wel snor. Men kan zeggen: “Het staat me tegen”, maar ook “Het zit me tegen”. En “Ik lig tegen haar aan”. En in een voetbalstadion wil het nog wel eens gebeuren, dat een keeper voor iedereen duidelijk zichtbaar wat verbouwereerd en geslagen om zich heen staat te kijken, terwijl toch iedereen roept: “Hij zit”.
Hij staat zijn mannetje, maar licht zijn vrouwtje bij, voor of op. Ho, hier gaat iets mis. Ik geloof, dat ik het nu zelf niet meer zie zitten. Zoals ook deze vrouw:
Zij zag een Pakistaan niet zitten,
Een getinte huidskleur lag haar niet.
 Zij gaf de voorkeur aan een witte,
Zodat ze de Hindoestaan zitten liet.
+++++++
Men hoeft niet lang en ver te reizen,
Om het landschapschoon te kunnen prijzen.
Waar de Rijn zich splitst in Waal en later Lek,
En geen forel meer zwemt, maar lekkerbek,
Daar ziet men weldra aan de rechter zijde,
Utrechts Heuvelrug uit lang vervlogen tijden.

donderdag 5 mei 2011

Wijsheid

Op een zonnig terrasje nippend aan mijn met royale hand ingeschonken glas Riessling viel mijn oog plotseling op nevenstaand bord. Dus ook in Duitsland al. Maar niettemin: een waardheid als een koe, al zou ik verder ook werkelijk helemaal niets kunnen bedenking, waarin een politicus nog meer zou kunnen overeenstemmen met een fles wijn. Inderdaad merk je pas achteraf, wat voor politiek vlees je in de kuip hebt en wat voor smaak of kwaliteit wijn in de fles. Maar als de wijn je niet bevalt, kan je die tenminste nog weggooien, maar aan een eenmaal gekozen politicus zit je meteen voor vier jaar vast. Een rampzalige situatie, zoals u allen weet. De eerste politicus met een prettige afdronk moet ik nog steeds tegenkomen.


Maar over politici en politiek wilde ik het hier helemaal niet hebben. Mij zijn ze de ruimte hier niet waard. Het ging mij meer om het uithangbord en wel als uiting van het volksleven, zoals J. van Lennep en J. ter Grouw de uithangborden beschouwden in hun uit 1866 daterende werk in twee lijvige delen De uithangtekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. Want een stad zonder uithangtekens en opschriften "heeft iets ongezelligs en houterigs, iets doods en akeligs: zulk een stad is als een doofstomme, als een overeind staand lijk", meenden zij. En zo is het ook.


Twee eeuwen daarvoor dacht Hieronymus Sweerts (hier al eens eerder ter sprake gekomen) er trouwens niet anders over. Toen hij op doktersadvies het wat rustiger aan moest doen en zich maar eens moest ontspannen, begon hij zijn verzameling "Koddige en Ernstige Opschriften op Luyffens, Wagens, Glazen, Uithangborden en andere Tafereelen", die volledig te raadplegen zijn bij de Digitale Bibliotheek Nederland.

Sweerts heeft louter de opschriften geregistreerd, zonder ze verder van enig commentaar te voorzien. Van Lennep en Ter Gouw daarentegen hebben er een wetenschappelijk werk van gemaakt met toelichtingen en historische achtergronden. Weliswaar wordt regelmatig naar de verzameling van Sweerts verwezen, "ofschoon daar veel in voorkomt, 't welk onzen verfijnde smaak ergert".

De teksten op uithangborden waren van allerlei aard, wervend, schimpend, mededelend, scheldend, soms ook beledigend en niet zelden lieten de gerechten borden verwijderen of de opschriften veranderen. Dat overkwam een tapper uit Nijmegen, die op zijn uithangbord enige grote en kleine pijpestelen had laten schilderen met daaronder de tekst: Groote stelen en kleine stelen; maar groote stelen 't meest. De speelse inval moest op last van het gerecht veranderd worden. De tapper liet nu een snoek op het bord schilderen, die een klein visje opslokte, met daaronder Groote visschen eten de kleine. Maar ook daarmee nam de schout geen genoegen. Waarop de tapper zijn hele bord blauw liet schilderen en daarop de tekst liet zetten:
Als ik de waarheid niet mag schrijven,
Dan zal ik alles maar blauw blauw laten blijven.

En dat al in de zestiende eeuw. Verboden werd ook een politiek getint uithangbord, dat Cromwell tot satirisch onderwerp had:
Die gelooft dat Krom Wel is,
Gelooft, dat er geen duivel in de hel is.

Kranten waren er in die tijd nog niet, dus men was voor het uiten van allerhande aanprijzingen, gevoelens en gedachten aangewezen op uithangborden en opschriften op gevels en ramen.

De tand des tijds heeft de tekst op dit uithangbord nooit weten aan te tasten:

Drink ik, soo bederf ik;
Drink ik niet, so sterf ik;
Beter gedronken en bedorven,
Dan niet gedronken en gestorven.

Boven de poort van een in Arnhem gevestigd gesticht stond te lezen, wie er welkomen gehuisvest waren:

Siet hier worden onderhouwen
Oude swakke mans en vrouwen,
Sinloos mens en sieck soldaat,
Vint hier ook een toeverlaet.

Het is maar een hele kleine greep uit wat Van Lennep en Ter Gouw allemaal bij elkaar gesprokkeld hebben. Een volgende keer wat vrijmoediger teksten uit de verzameling van Hieronymus Sweerts.

En tot besluit een eigen actueel en nog niet verboden uithangbord:

Naar door menigeen en mij wordt verwacht,
Is het nu hoog tijd, dat Gretta wordt herdacht.

woensdag 4 mei 2011

Vis

Vriest het in mei,
Dan is april voorbij.


Hoewel aan deze meteorologische wijsheid niet valt te tornen, was het toch even schrikken, toen ik vanmorgen op het water van mijn viskom een dun vliesje aantrof en mijn trouwe metgezel, een kleurrijke Neon Tetra, het zichtbaar koud had. Want van vissen heb ik verstand, ook al vis ik regelmatig achter het net en in troebel water en vang ik bovendien veelal alleen maar bot. Maar ik weet als weinig anderen waar bijvoorbeeld de delicatesse van de forel zit. Vraag het de representanten van de haute cuisine, en velen zullen u het antwoord schuldig blijven. Maar u maakt natuurlijk wel  goede sier met zo'n vraag. Het verraadt kennis van zaken, mits u natuurlijk zelf het antwoord weet. Dat zal ik u morgen onthullen, al zult u uw maag er bepaald niet mee vullen. Maar dat is nu eenmaal steeds het geval met culinaire hoogstandjes: het maagvullend gehalte is gering en bovendien omgekeerd evenredig met de prijs. Toch zet ik nu maar even de forellen op, zij het die van Schubert. Een delicatesse op zich.

Het is overigens niet alleen de visser, die vist. Ook de minder fortuinlijke keeper vist regelmatig en de nieuwsgierige maakt er zelfs vaak een gewoonte van. Je hebt ook nog vis-à-vis, maar dat heeft met vis weinig te maken. En sommigen gooien zo'n kwetsbaar diertje ook wel eens uit.
En denk erom: een visie is niet hetzelfde als een visje, zoals de Barcelona-voetballer Messi in beschaafd Nederlands ook geen Mesje heet.
U ziet: er valt best nog heel wat uit te vissen. En niet zelden wordt de vis bovendien nog duur betaald.

dinsdag 3 mei 2011

De lucht in

De kans om de Moezel eens vanuit de lucht te bekijken, krijg ik niet iedere dag, dus toen ik heden onderweg een vliegschool tegen kwam heb ik gauw de fiets aan de kant gezet en me ingeschreven voor een spoedcursus vliegen-in-een-watervliegtuig. Het lestoestel ziet u hierbij afgebeeld. Ik had het geluk, dat de school was gevestigd aan het begin van een tamelijk lang en recht stuk van de Moezel, wat voor een behoorlijke "aanloop" bij het opstijgen wel zo prettig is. Ik had evenwel de pech, dat het een éénpersoonstoestel betrof en je moest niet het formaat van een wijlen Hazes of Vonhoff hebben om er nog in te kunnen passen. Bij de lesschool stond een heuse verkeerstoren, van waaruit ik op duidelijke en zakelijke wijze mijn instructies kreeg.

Ik dobberde al gereed voor vertrek, toen ik aan het einde van de startbaan een rondvaartboot uit Traben-Trarbach zag naderen. Dat kwam mooi uit, want het leek me zowel voor mij als voor de toeristen op die boot een heel aparte belevenis om vlak voor het druk bezette schip het luchtruim te kiezen, nagestaard door voornamelijk verraste landgenoten. Maar helaas, ik kreeg geen toestemming om al te vertrekken. Pas toen ook nog een tanker uit Zwijndrecht was gepasseerd en om de bocht verdwenen, kreeg ik groen licht en weldra vlogen campers, caravans, kerktorens en wijnstokken met steeds grotere snelheid langs me heen.

En juist toen ik me zorgen begon te maken over een wel heel snel op mij afkomend Weingut kreeg ik het commando om de handeling te verrichten, die me in een mum van tijd tot ver boven het water, het land en het volk zou verheffen. Smaller en smaller werd de Moezel onder me, hoogteverschillen waren op de grond al niet meer te zien en voor ik er goed en wel erg in had, zag ik het naar mij genoemde Rolandseck onder mij door glijden. Wat een rust hier boven. Ik dacht aan Hendrik Tollens (1780-1856):

Waar Maas en Waal te zamen vloeit,
En Gorkum rijst van ver,
Daar heft zich op den linker zoom,
En spiegelt in den breeden stroom,
Een slot van eeuwen her.

Ach, wat was op deze hoogte nog helemaal het verschil tussen Maas & Waal enerzijds en Rijn & Moezel anderzijds. En tussen slot Loevestein (u weet wel: van die boekenkist) en Ehrenbreitstein? Alles wordt zo betrekkelijk, als je tot grote hoogte bent gestegen. Kon ik hier maar altijd blijven. Maar ja, mijn weblog.....

Rolandseck

maandag 2 mei 2011

Jacht

Er zijn landen, waar iedereen juist op de Dag van de Arbeid niet hoeft te werken. Dat heeft in ieder geval in taalkundig opzicht iets tegenstrijdigs. Nog onbegrijpelijker wordt het, als de Dag van de Arbeid op zondag, dus een rustdag valt. Beter ware het daarom om van de Dag van de Ledigheid te spreken. Of van de Dag van de Onthouding, al hoeft men zich natuurlijk niet van álles te onthouden. Onthoudt u dat goed!

Ach, het kwam zo maar bij me op, maar maakt u zich geen zorgen: het gaat vanzelf weer over. Een glaasje erbij en ik denk al weer aan heel andere dingen. En een Bolsje wist ik altijd al wel te waarderen. Nee, nee, maakt u hier nou niet uit op, dat ik communistische sympathieën heb. Verre van zelfs, al zijn er best wel eens dingen, die ik beter in collectieve dan in individuele handen acht.

Nog liever drink ik een Jägermeister. Niet omdat ik dat nou zo lekker vind, maar vanwege de naam. Die heeft iets paternalistisch' en straalt een zekere mate van macht en gezag uit. Want een Jägermeister staat toch altijd een trapje hoger dan de aan hem ondergeschikte Jägerknecht. En wie zou er bovendien geen meester in het jagen willen zijn? Jacht op vrouwen heb ik overigens nooit gemaakt. Of liever gezegd: ik schoot altijd mis. Zal wel aan mijn kromme loop hebben gelegen.

Maar ik ben toch nog op de been gebleven,
Al is het evenwicht soms wel wat wankel,
Maar op één been valt ook best te leven.

Dáár had natuurlijk nog een regel aan toegevoegd moeten worden, maar op wankel rijmt alleen maar sprankel en daar kán ik niks mee. Wil het althans nog een beetje begrijpelijk blijven. En u niet denkt, dat ik 's morgens vroeg al aan de jachtbitter ben.

P.S.
Is me dat even schrikken. Zoek ik bij Google met de trefwoorden "Glaasje Jägermeister" naar een passend plaatje bij dit verhaal (want een foto zegt tenslotte meer dan duizend woorden) en kom ik daar tussen al die drank een foto van mezelf tegen. Kunt u nagaan.... En bovendien is het wel een erg petieterig glaasje geworden. Maar u zult het er mee moeten doen. En ik ook, en dat is nog veel erger. Proost!

zondag 1 mei 2011

Workshop

Mijn verzoek om wat creatieve bijdragen uwerzijds heeft verrassend positief uitgewerkt. Velen van u hebben kennelijk plezier beleefd aan het bedenken van taalkundige spitsvondigheden, en ik en hopenlijk vele anderen aan het lezen ervan. Reden voldoende om zo af en toe een soort linguistische workshop te organiseren, om te beginnen over het thema bol, en onderwerp, dat vele mogelijkheden biedt en waar u alle kanten mee op kunt. Er zijn immers talloze bollen. Ik noem er een paar: een bloembol, een knappe bol, een oliebol, een Vollenhovense bol, een bolknak. Kortom, de Nederlandse taal staat bol van allerhande bollen, genoeg om iets leuks mee te doen. Om u alvast een beetje op weg te helpen:
"Mag ik drie Bossche bollen van u? Nee, díe maar niet, die lijkt wel bedorven. Wat ziet die Bolsward".

Maar het mag natuurlijk ook in de vorm van een gedichtje, een grafschrift, een woordspeling. Als u het maar netjes houdt. Al moet ik toegeven, dat het onderwerp wel tot enige frivoliteit kan uitnodigen. Maar een gedicht als dit kán nog wel:

Een bollenkweker uit de buurt van Spangen,
Met - hoe kan het anders: bolle wangen,
Wist de hand te leggen - zonder dolle,
Op twee Maagdenburger halve bollen.

Meestal kom je daar juist niet met je handen aan, maar van een bollenkweker uit de Maasstad kan je natuurlijk alles verwachten. Ik wist niet eens, dat ze daar bollen kweekten, hoe ondernemend Rotterdammers ook plegen te zijn.

Ik hoef maar uit het raam van mijn zomerhuisje te kijken en ik zie overal wijngaarden om me heen. Qua lokatie zit ik dus op rozen en hoewel de tijd en de druiven er nog niet rijp (voor) zijn, zie ik in gedachten de trossen al hangen. Ze schijnen geluk uit te stralen (het geluk hangt immers als een druiventros, volgens de titel van een lang vergeten boek), maar soms kunnen de druiven ook behoorlijk zuur zijn. Een druiventros, bedacht ik, is een tros druiven. Maar hoe zit dat dan met een scheepstros? Om over een albatros nog maar te zwijgen.

Vreemd taaltje hoor, dat Nederlands. Pas leuk wordt het, als je mensen wat moeilijke woorden hoort gebruiken, waar ze de betekenis niet goed van kennen.  Zo had laatst iemand het over een proleet, terwijl hij een prelaat bedoelde. Ach, een kniesoor, die daarop let. Al zou ik niet direct willen beweren, dat er soms geen verschil is tussen een proleet en een prelaat. Enfin: láát maar.