Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


vrijdag 27 mei 2011

Brief

Vandaag een brief van een lezer uit Glanerbrug, die ik - met zijn toestemming -  in zijn geheel hier overneem, omdat hij zo goed aansluit op mijn artikel van gisteren en eerlijk gezegd precies weergeeft, wat ik uit een soort "lijfsbehoud" zelf maar heb weggelaten.

Geachte heer Bekking,

Hoewel ik het niet altijd met u eens ben, lees ik uw stukjes toch steeds met veel plezier. Dit overigens (helaas) in tegenstelling tot mijn vrouw,  die zich iedere keer weer afvraagt, wat ik er nu eigenlijk aan vind. Met name als ik weer eens hardop om iets lach. Maar gisteren veroorzaakte uw allerlaatste zin hier een complete echtelijke ruzie. Trekt u het zich overigens niet aan. U had volkomen gelijk en de ruzie is inmiddels weer enigszins bijgelegd.
Het begon, toen ik na het lezen van uw stukje even wat nadenkend voor me uit zat te staren en mompelde: "Ja verdomd, eigenlijk heeft-ie wel gelijk". En mijn vrouw prompt reageerde met:
- Wie heeft er nou weer gelijk?
- Die man, die stukjes op zijn weblog schrijft, waar jij niks aan vindt.
- Oh die. Wat schrijft hij dan?
- Dat mensen, die hun kleine kinderen meenemen naar verre vakantiebestemmingen, hun kinderen in feite als bagage beschouwen en meestal ook zo behandelen.
- Zo zég je dat toch niet.
- Misschien niet, maar hij heeft wel gelijk.
- Nee Jan, die man heeft helemáál geen gelijk. Die kinderen zien op jonge leeftijd tenminste al het nodige van de wereld en dat kan nooit kwaad.
- Ach Mien, denk je nou echt, dat je die kinderen er een plezier mee doet om ze eerst 2000 km in een auto te laten zitten, om ze vervolgens aan het strand van de Costa del Sol met hun emmertje en schepje te laten spelen in plaats van in Noordwijk aan Zee?
- Nou Jan, ik zou het wel weten hoor: ik zit liever in Benidorm aan het strand dan in Noordwijk.
- Kijk, dat is nou precies wat ik bedoel: jij denkt alleen maar aan jezelf, aan wat je zelf wilt. Net als al die ouders, die hun kleine kinderen meenemen naar Spanje of Portugal of weet ik waar heen helemaal. Dan beschouw je je kinderen toch alleen maar als bagage?
- Misschien is het zand in Benidorm wel geler dan in Noordwijk...
- Wat zijn vrouwen toch Diskussionsunfähig...
- Wat zeg je, Jan?
- Dat ouders met kleine kinderen vaak egoistisch zijn, als het om vakantie gaat. Geen wonder, dat ze vermoeider terugkeren dan ze weggaan. Ze komen vaak al helemaal gestressed op de plaats van bestemming aan.
- Overdrijf je niet een beetje, Jan? En je kunt die kinderen toch een slaappil geven. Heb je ook dat gejengel en gezeur niet aan je kop.
- Nou Mien, als je er zó over denkt, moet ik misschien wel blij zijn, dat je geen kinderen kon krijgen.

Dat laatste had ik natuurlijk niet moeten zeggen. Maar je zult de ouders de kost maar moeten geven, die hun kinderen met een slaappilletje stil houden. Dat vind ik onmenselijk, dus eigenlijk beestachtig.
Maar de storm is inmiddels weer geluwd.

Met vriendelijke groet,
Jan van M.

:

donderdag 26 mei 2011

Kamperen

Ooit omschreef Fons Jansen kamperen als : een jaar krom liggen om twee weken krom te kunnen liggen. Maar met de verruimde bestedingsmogelijkheden en de modernisering van de kampeerindustrie zal die uitspraak inmiddels door en voor de meesten als gedateerd en achterhaald worden beschouwd. Mijn misschien toen nog latent aanwezige belangstelling voor het kamperen werd al in militaire dienst voorgoed de kop ingedrukt. In plaats van een van alle gemakken en comfort voorziene bungalowtent kreeg ik als soldaat de beschikking over niet meer dan een halve shelter (ook wel pup-tentje genoemd, hetgeen al duidt op de onvolwassenheid van dit onderkomen). Mijn tentgenoot, die alleen diagonaalsgewijs in de shelter paste, kreeg de andere helft. Wie het grondzijl had, weet ik niet meer. Geen ideale omstandigheden om mij de liefde voor het kamperen of zelfs het oorlogvoeren bij te brengen. Geen wonder dus, dat er in het getuigschrift, dat ik bij het afzwaaien meekreeg, stond vermeld: "Goed telegrafist; als militair minder geschikt". Met mij valt dus geen oorlog te winnen, maar wel te communiceren. Kennelijk. Hoewel ik mensen ken, die daar anders over denken. Mijn eigen dochter bijvoorbeeld. Hoe vaak heeft ze me niet laten weten: "Met jou valt niet te praten". En zo zijn er méér.


Toch heb ik het na mijn diensttijd nog één keer geprobeerd, al was ik mij er terdege van bewust, dat je van proberen de grootste ongelukken kunt krijgen. Zó levensbepalend was het ditmaal niet, maar toen ik na een middagje sightseeing mijn pakje boter in gesmolten toestand op het grondzijl aantrof, was ik voorgoed voor het kamperen verloren. Mijn broer heeft het nog enkele decennia langer volgehouden. Niet con amore, maar wel met een kennelijk groter incasseringsvermogen.


Waarmee ik maar wil zeggen, dat nog altijd veel mensen vermoeider en meer gespannen en geprikkeld van vakantie terugkeren dan zij vier, vijf of zes weken voordien op weg gingen. Zeker als ook kleine kinderen tot de bagage behoren.

woensdag 25 mei 2011

Vervoer(ing)

Naar ik uit betrouwbare bron heb vernomen, zullen William en Kate straks deelnemen aan de Nijmeegse vierdaagse. Voor William zal dat niet zo'n probleem zijn. Hij is een geoefend wandelaar, maar voor Keetje wordt het nog een hele tippel.

Deze vorm van verplaatsing is bij mij nooit erg populair geweest. Een wandelaar ben ik dus niet geworden, al heb ik vaak de benen genomen en me ook regelmatig uit de voeten gemaakt. Hetgeen behoorlijk in de gaten liep. Weliswaar ben ik in mijn leven bij vele manieren van lopen betrokken geweest, maar ze hadden allemaal niets te maken met het plaatsen van het ene been voor het andere. Om u een paar voorbeelden te noemen: ik heb me diverse malen en zeer recent nog een blauwtje gelopen, ben ook diverse keren tegen de lamp gelopen, heb net niet in de WW gelopen, maar wel één keer in zeven sloten tegelijk en onlangs moest ik zelfs op uitdrukkelijk verzoek naar de pomp lopen (al ben ik stiekem op de fiets gegaan). Nee, wandelen is niets voor mij. Als ik mij verplaats, wil ik er bij kunnen blijven zitten. Vandaar dus, dat het automobiel hoog in mijn vaandel staat geschreven.

Mijn eerste auto was een (lelijk) eendje, zo eentje, waar je er toen vele van zag, maar die zo langzamerhand een bezienswaardigheid op de vaderlandse wegen is geworden. Het enige alternatief voor een bescheiden beurs in die jaren was de kever, niet voor niets eveneens genoemd naar een niet in hoog aanzien staand dier. De snoek was al wat robuuster en luxer, maar ontleende zijn naam dan ook aan een roofdier.

Ooit hoop ik nog eens een Camper Cabriolet te bezitten, al was ik vorig jaar al een eind op weg, toen een Zuidfrans viaduct te laag voor mij bleek te zijn gebouwd. Maar het bleef toen bij een niet voorziene omzetting van een satellietschotel in een vliegende schotel. Ze bestaan dus echt.


maandag 23 mei 2011

Vrijburg

Mendelssohn bracht in 1837 drie van zijn zes weken durende huwelijksreis in Freiburg (Breisgau) door. De stad en omgeving maakten zo'n indruk op hem, dat hij er sprakeloos van was. Hier componeerde hij dan ook een aantal "Lieder ohne Worte". Ik weet niet of dat iets te maken heeft met het feit, dat ik onlangs in het centrum van die stad  enige niet al te appetijtelijke meisjes in het stadscentrum aantrof, die middels een handgeschreven bord een “Gratis Umarmung” (zie foto) aanboden.  Hoewel men omtrent de diepere achtergrond van dit genereuze gebaar in het ongewisse werd gelaten, werd er niet zeer gretig van het aanbod gebruik gemaakt. Je weet maar nooit wat je er aan overhoudt, ofschoon de intensiteit van de omarming maar uiterst bescheiden was en bovendien van korte duur. Nee, studentes, op zoek naar een “passende” partner leken het me niet. Ze maakten trouwens geen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Dus blijft het gissen, wat ze met deze actie vóór hadden. Ik ben er niet achter gekomen, maar vond wel, dat Freiburg even op Vrijburg leek. Of ik me ook heb laten omarmen? Juist toen ik daartoe aanstalten wilde maken, beëindigden de meisjes hun actie. Wat te verwachten was.
De natuur boezemt mij trouwens meer belang in. Niet de menselijke natuur – hoewel die ook heel interessant kan zijn – maar de natuur van drs. Fop I.Brouwer: alles wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit.  Je moet al haast een grijsaard zijn om je die man en woorden nog te kunnen herinneren. Zo hoorde ik – liggend aan de Titisee – de heldere roep van een koekoek. Even tellen: … negen, tien, elf… Elf uur al. Even later hoorde ik er nog één:… acht, negen, tien… Die liep dus duidelijk een uur achter. Het klonk ook veel minder opgewonden.
In het water dreven koetjes. Nee, geen kalfjes, maar van die zwarte watervogels, meerkoetjes. En hoe langer ik naar het meer keek, hoe meer meerkoetjes ik zag, Het zat er vol.
Lastig alleen even, dat een koe en een koet hetzelfde verkleinwoord hebben. Daarentegen heeft een kind weer twee verkleinwoorden: kindje en kindeke, al schijnt er van de laatste eigenlijk maar één te zijn.
Op weg naar een restaurantje voor weer een bord-overlappende schnitzel met de oppervlakte van een forse pannenkoek, komt mij een voertuig met zwaailicht tegemoet. Vriendelijk als ik ben, zwaai ik natuurlijk terug. En zo maak je toch van alles mee als je even van huis bent.

maandag 16 mei 2011

Grenzen

Van de zeven drielandenpunten, die Duitsland telt, heb ik er nu vier gehad. Voor het vijfde zal ik bij Bregenz het water van de Bodemsee op of in moeten, maar geen moeite is me te veel om de sensatie te kunnen ervaren, met een eenvoudige lichaamsbeweging me in een oogwenk door drie landen te kunnen begeven. Wellicht komt mijn belangstelling voor drielandenpunten ook voort uit de wens om te willen ervaren, hoe vroegere veroveraars zich bij hun talrijke usurpatiepogingen zich moeten hebben gevoeld. Maar grenzen in het algemeen hebben me altijd al geboeid. Tenslotte heeft men er vanaf het eerste tot het laatste levensjaar mee te maken. Eerst zijn het anderen, die de grenzen van je mogen en kunnen bepalen en de piketpaaltjes plaatsen, maar  het is de mens eigen om iedere grens, die hij ervaart en die in feite tevens een beperking is, te verleggen of - als het even kan - te overschrijden. Is het niet goedschiks, dan soms maar kwaadschiks. Het is geen mens, die niet af en toe de bakens wil verzetten. Al was het maar om zichzelf wat meer (speel)ruimte of lucht of mogelijkheden te verschaffen.

Inmiddels zijn de binnengrenzen van de Europese gemeenschap vervallen en is de lol van een heleboel dingen eraf. Wat genoot ik vroeger niet van die spannende smokkelverhalen. En ik herinner me nog goed, hoe ik als kind, toen ik nog in Dinxperlo woonde, toverballen over de grens smokkelde voor mijn vriendinnetje in Süderwick.

Misschien zijn het wel die nostalgische overwegingen, die de belangstelling voor alles wat met grenzen, piketpaaltjes en bakens te maken heeft, in mij wakker heeft gehouden. En wie heeft er géén behoefte, zo nu en dan eens zijn eigen grenzen te verkennen. Want grenzen zijn er in vele soorten. Van het kunnen, het willen en het mogen. Op alle denkbare levensgebieden.

zondag 15 mei 2011

Lachen

Van meteorologische of natuurkundige verschijnselen heb ik blijkbaar geen verstand. Ik zocht het de laatste dagen wat hoger op, in de veronderstelling, dat hoe dichter ik bij onze warmtebron, de zon, kom, hoe warmer het wel zou worden. In veel gevallen gaat zo'n redenering ook op, maar in mijn geval natuurlijk weer niet, want hoe dichter ik bij de zon kwam, hoe kouder het juist werd.  In een glasblazerij had ik toch heel andere ervaringen.

Dat méér verschijnselen, die zich boven mijn hoofd afspelen, ook boven mijn pet gaan (logische gevolgtrekking), bleek ook uit de reactie van een lezer, die mij er gisteren op wees, dat een zwarte streep in het luchtruim onmogelijk een remspoor van een vliegtuig kon zijn, zoals ik had vermoed.
Dus houd ik me voortaan maar met aardser dingen bezig en kijk maar eens wat vaker omlaag in plaats van omhoog, zoals Sammy. En zag toen meteen op een grafsteen staan:


Hier rust verzetsman Gerrit van der Woord.
Ondergronds zet hij zijn werkzaamheden voort.


Je oog moet er maar net op vallen. En naast hem kennelijk een treinbestuurder:


Sinds hij een rood sein bij Bussum heeft gemist,
Ligt hier een ongehuwde Intercity-machinist.


Soms worden grafschriften ook wel eens geweigerd. Lodewijk van Alledin wist me laatst te vertellen, dat van gemeentewege een steen was weggehaald met het inderdaad wat bizarre en zelfs smakeloze opschrift:


Hier ligt Willem van der Werf,
Onderhevig aan bederf.


Ik ga iets vrolijkers bedenken. Laat ik maar eens beginnen met het boekje van Anton C.Zijderveld: Waarom wij lachen. Ja, dat zou ik inderdaad wel eens willen weten. Maar wat zou de schrijver precies bedoelen:
a) waarom lachen wij eigenlijk?
of
b) waar lachen wij eigenlijk om?
Een heel verschil.

vrijdag 13 mei 2011

Storm en drank

Juist toen ik bezig was, een glaasje in te schenken,
Om in alle rust mijn leven eens te overdenken,
Bekroop mij onmiskenbaar een gevoel van Sturm und Drang,
Ook al ontging mij wel de onderlinge samenhang.
Van het ontbreken van die onderlinge samenhang ben ik overigens niet meer zo zeker, nu ik mij een causerie voor de Franse radio herinner over de Sturm- und Drang-periode. Want een Fransman is volstrekt niet in staat om de ng uit te spreken, zoals wij en ook de Duitsers dat doen, doch maken er een k van. Sturm und Drank dus. Als ik het niet dacht…
Trouwens, over drank gesproken. Deze niets aan duidelijkheid te wensen overlatende bekentenis kwam ik onlangs onderweg tegen op een Duits wijnvat:
Wenn Muttermilch war wie Schweigener Wein,
Möcht ich ewig ein Säugling sein.
Jong geleerd, oud gedaan. Maar met of zonder verband tussen alcohol en kunst: terwijl ik ontspannen in het gras temidden van made- en andere liefjes ins blaue hinein lag te staren, vroeg ik me af, of niet iedereen wel eens één keer in zijn leven de top wil bereiken. Van de maatschappelijke ladder was me dat nooit gelukt, maar misschien dan van de berg, die uitnodigend, ja zelfs uitdagend voor mij lag. Eén van het type “buitencategorie”, zoals dat in wielerjargon heet. En voor ik het zelf goed en wel besefte, had ik de stoute en tevens mijn bergschoenen aangetrokken en was ik aan de klim begonnen. Misschien toch ietwat overmoedig, want:
De vegetatie werd steeds schaarser,
En mijn gelaatstint immer paarser.
Maar heb je dan de top bereikt,
En je tevreden naar beneden kijkt,
Dan komt het treurige besef al vlug:
Je kunt helaas alleen maar terug.
Eenmaal boven zag ik weer de vliegtuigen, die mooie witte strepen trokken. Eén zwarte streep was erbij. Vermoedelijk een remspoor. En ik dacht aan de mensen, die misschien toen net een spelletje scrabble aan het spelen waren…