Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


maandag 6 juni 2011

Van her en der


- Is er vanavond nog iets leuks op de televisie, Mien?
- Zei je iets, Jan? Ik versta je niet. Ik ben aardappelen aan het schillen.
- Sinds wanneer versta je mij niet meer als je aardappelen schilt?
- Ik luister ook even naar de muziek op die mp3-speler, die we van de kinderen hebben gekregen. Wat zei je nou?
- Of er vanavond nog iets leuks op de televisie is?
- Zal even kijken.... Nee, voor mij niet... maar misschien voor jou: "Wie ontvoert mijn vrouw", een Duitse komedie.
- Ja, dat lijkt me wel wat.
- Dacht ik wel. Misschien kan je er nog iets van leren. Hoeveel losgeld zou je trouwens willen betalen, als ik eens ontvoerd word?
- Daar hoef ik gelukkig niet lang over na te denken.
- Hoe bedoel je, Jan? Omdat je zoveel geld toch niet hebt?
- Omdat het alleen maar interessant is om dingen of personen te ontvoeren, die wat waard zijn.
- Ik hoor het al Jan. Kijk jij vanavond maar gezellig met mij naar die quiz. Daar steek je méér van op.


In een andere Nederlandse familie Doorsnee schijnt het voorgekomen te zijn, dat Jan zelf aan Mien voorstelde om zich te laten ontvoeren. Ze mocht zelf een passende en geschikte ontvoerder uitzoeken. En dat dééd ze ook, verrassend snel. Dat gebeurde al vele jaren geleden en Jan is nog steeds aan het sparen voor het losgeld.

België blijft voor ons land toch een voorbeeld. Het is het land economisch nog nooit zo goed gegaan, sinds het geen regering meer heeft. Het zal er wel weinig mee te maken, maar ik heb recentelijk wel mijn verzameling "weerspreuken" met een paar Vlaamse kunnen aanvullen:

Eet men in juni immer nog patat,
Dan hebben we de mei-maand al gehad.

Dondert het weer eens in Dendermonde,
Dan geschiedt hetzelfde in de sponde.

Dat komt aardig overeen met twee weerspreuken, die ik op Internet vond:
In juni dondergevaar
Geeft een vruchtbaar jaar.

En:

Donderweer in juni maakt het koren dik.
(En naar Vlaamse overtuiging dus niet alléén het koren).





















zaterdag 4 juni 2011

Jong geleerd...

Een lezeres uit Wadenoijen deelde mij onlangs mede, dat op suikerzakjes, die in een tehuis voor ongehuwde moeders in Drempt worden gebruikt, de volgende tekst staat afgedrukt.

Een jonge vrouw uit Genemuiden,
Had wel de klok eens horen luiden,
Maar wist niet waar de klepel hing,
Zodat niet alles naar behoren ging.

Tja, als het kalf verdronken is, dempt men ook in Drempt de put. Je zou ook kunnen zeggen, dat daar het paard achter de wagen wordt gespannen, nog vóór men er overheen is getild. Hoe zou het toch komen, dat het menselijk falen zo vaak via het gedrag van dieren wordt verwoord?
Ik belde de lezeres uit Wadenoijen om te vragen, of ik het gedichtje mocht publiceren.
- Natuurlijk. Anders zou ik het toch niet eens gestuurd hebben?
- Dat is zo.
- Als u mijn naam er maar niet bij zet. Want het is natuurlijk wel duidelijk, dat ik onlangs zelf ook in dat tehuis heb gezeten. Bijna allemaal campinggevallen.
- Ongevallen dus eigenlijk...
- Zo zou het ook kunnen noemen. Campings zijn broedplaatsen van criminaliteit en ongewenst ouderschap.
- Is het zo erg?
- Tuurlijk. Je ontmoet een leuke vent. Niks aan de hand. Maar dan maakt hij je het hof en leidt je vervolgens om de tuin. Eigen schuld en een tijdje later een dikke bult.
- En nu?
- Geen idee. Ik heb alleen zijn weinig voorkomende voornaam onthouden en die heb ik ook aan mijn zoon gegeven. Dat kan hem misschien later van pas komen, als hij over een jaar of dertig op zoek wil naar zijn roots en ik er waarschijnlijk niet meer ben.
- U bent toch niet .. eh ziek of zoiets?
- Nee hoor, maar wel 55.

donderdag 2 juni 2011

Vissen

Op een plaats, waar nauwelijks menselijke activiteiten vielen te verwachten, zat een man te vissen, half verscholen in het hoog opgroeiende gras. Zijn vis-uitrusting zag er uiterst bescheiden en weinig professioneel uit.
"En? Willen ze nog een beetje bijten?", vroeg ik belangstellend, terwijl ik mijn fiets in de berm legde.
"Nee, niet echt. Maar dat hoeft ook niet".
"Hoeft ook niet?"
De man keek me onderzoekend aan, alsof hij zich er eerst van wilde overtuigen of mijn interesse wel oprecht was, of ik het wel waard was om iets toe te vertrouwen, zo leek het wel.
"Ach meneer, weet u wat het is: die hengel is maar flauwekul. Ik zit eigenlijk helemáál niet te vissen. Ik hóu zelfs niet eens van vissen. Vroeger zat ik hier vaak. Zonder hengel. Gewoon wat te dromen, over het leven na te denken, herinneringen op te halen, zoekend naar dingen, mensen, gebeurtenissen, die ik vergeten was. Een soort vissen in het verleden, zou je kunnen zeggen. Heerlijk rustig. Alleen het geluid van het water, de wind en de vogels. Tot er op een dag ineens zo'n soort hulpverlener naast me stond. U kent die types wel: actief als het niet hoeft en afwezig als ze nodig zijn. Of hij iets voor me kon doen? Of alles goed met me was? Ik hoef het u niet verder uit te leggen".
"En?"
"Ik heb 'm in veel te vriendelijke woorden gezegd, dat hij zéker iets voor me kon doen en wel zo gauw mogelijk ophoepelen. Eigenlijk had ik 'm een klap voor z'n kanus moeten verkopen, om het maar eens in onvervalst Amsterdams te zeggen, maar daar ben je dan net weer iets te fatsoenlijk voor. Als je op een plek als deze een tijdje alleen zit, wekt dat kennelijk argwaan en denken de mensen, dat je een eind aan je leven wilt maken of zoiets. Daarom doe ik tegenwoordig maar net, of ik zit te vissen. Dat is dan blijkbaar niet verdacht".
"Mensen zijn achterdochtig geworden", zei ik, toen hij even zweeg.
"Dat zeker. Laatst kwam hier een jongetje van een jaar of tien naast me zitten. Waar hij zo ineens vandaan kwam, weet ik niet. Ik heb een hele tijd genoeglijk met 'm zitten praten, maar ik kan niet zeggen, dat ik me erg op mijn gemak voelde".
"U bedoelt, dat..."
"Ik zal u wat leuks vertellen: een jaar of vijftien geleden liep ik in een warenhuis, toen een knulletje van een jaar of vijf naar mij wees en tegen zijn moeder zei: "Kijk, daar is papa". Ik legde mijn hand op zijn blonde krulletjes, boog me voorover en zei, met een glimlach naar zijn moeder: "Ik ben je papa niet. Was het maar waar". De vrouw glimlachte terug en maakte een verontschuldigend gebaar. Ik zal het nooit vergeten. Als me vandaag hetzelfde zou overkomen, zat ik vijf minuten later in de cel. Het is precies wat u zei: de mensen zijn achterdochtig geworden. Het vertrouwen is er niet meer. Misschien hebben we het er met z'n allen wel naar gemaakt".
In het gras lag een notitieboekje. De man zag, dat ik er naar keek.
"U denkt misschien, dat ik daarin noteer, wat ik op een dag heb gevangen. In zekere zin is dat misschien ook wel zo, want ik schrijf er mijn herinneringen in op. Soms is een enkel woord genoeg. En soms dwingen de emoties me wel eens tot wat meer. Een mens is nu eenmaal wat zijn omgeving hem of haar ervan heeft laten maken".

woensdag 1 juni 2011

Spel

"Ach meneer, jonge kinderen drínken te veel en ouderen bewégen te weinig. Ik heb het altijd al gezegd: het drankprobleem begint al aan de moederborst. Niet dan?"
Ik knikte instemmend, want er leek me weinig ruimte voor tegenspraak.
"Maar gelukkig kan ik m'n arm in ieder geval nog goed bewegen, want als dít niet meer lukt, is voor mij de lol er af". En demonstratief nam hij het voor hem staande  glas en bracht het langzaam naar zijn mond.
"Zonder smeermiddel loopt de boel bovendien vast", lichtte hij toe.
"En hoe is het met de rest van de scharnieren gesteld?" vroeg ik belangstellend.
'Niet best, maar gelukkig kan je bij deze hobby blijven zitten", zei hij, terwijl hij zijn glas in de hoogte hield. "De knieën vertikken het. Iets van frambose of trombose of zoiets".
"Artrose", veronderstelde ik.
"Kan óók wel. In ieder geval piept en kraakt het daar".
"Geen hulptroepen beschikbaar?"
"M'n vrouw is overleden en m'n kinderen zouden me het liefst in een tehuis opbergen. Maar voorlopig red ik me nog wel, nietwaar Helga? Mag ik er nog eentje?".
De met Helga aangesprokene bleek niet de uit de kluiten gewassen vrouw, die de drankverstrekking bestierde, maar een klein vrouwtje, vermoedelijk nog net aan de goede kant van de zestig, dat een paar tafeltjes verder met een kruiswoordpuzzel zat te worstelen.
"M'n buurvrouw", verklaarde de man. "Ze houdt me een beetje in de gaten".
"Is dat nodig dan?"
"Of dat nodig is", mengde de vrouw zich nadrukkelijk in het gesprek. "Laat hem maar schuiven. Met Kees hoef je heus geen medelijden te hebben hoor. Z'n knieën doen het misschien niet zo best meer, maar de rest funktioneert nog uitstekend".
"Helga... Straks maak je die meneer nog nieuwsgierig".
"Die meneer mag best weten, wat je allemaal nog kunt. Maar vertel me eerst even: een berg op Kreta.. drie letters.."
"De Mount Everest".
"Past niet".
"De Holterberg dan".
"Is ook nog te groot".
"Dan zal het de Ida wel wezen. Méér bergen ken ik niet".
"Bergen-aan-Zee ken je toch wel? Maar Ida zal wel goed zijn. Kom Kees, we gaan. We laten de ballen nog even rollen".

En veel minder moeizaam dan ik dacht verliet hij met Helga het café. Niet veel later trof ik ze aan op een door dikke beuken omzoomde laan, helemaal verdiept in hun jeu de boules.
"Wie wint er?" vroeg ik.
"Zij. Ik kan er eigenlijk geen bal van".

dinsdag 31 mei 2011

Café

Toen ik het café binnen ging, trof ik de man, die ik een kwartiertje daarvoor de weg naar de plaatselijke parfumerie had gewezen, aan de bar aan, in druk gesprek met een niet onaantrekkelijke vrouw.
"Uw man heeft in ieder geval wel smaak", hoorde ik hem op licht uitdagende toon zeggen.
"Dat heeft ie inderdaad. Maar hoe wéét u dat? Kent u mijn man soms?"
"Daar hoef ik uw man niet voor te kennen", zei hij met een - zo te zien - onbegrepen glimlach.
 Onwillekeurig moest ik even denken aan wat ik hier onlangs op de binnenkant van de wc-deur had gelezen: "Hoe blonder het blondje, hoe ronder het kontje". Al wordt de mate van blondheid meestal in verband gebracht met andere kwaliteiten, of juist het ontbreken ervan.
"Dan vind ik het helemáál knap, dat u dat weet", zei de vrouw met ongeveinsde verbazing.
"Och..."
"Piet, geef mij nog maar een Spa rood"
"Doe mij maar een Christoffel Blond. En dit rondje is voor mij", sprak de man met een laatste sprankje hoop.
"Oh, doe dán maar een advocaatje, Piet. Ik hou namelijk van advocaat", lichtte zij toe.
'Dat komt dan mooi uit, want ik bén advocaat".
"Oh ja? Wat leuk. Ik heb nog nooit met een echte advocaat gesproken. Ik dacht, dat advocaten altijd een toog droegen, maar u..."
"Toga. Maar aan de toog draagt een advocaat zelden een toga".
"Draagt u 'm alleen thuis?"
De man stond op, liep naar mijn tafeltje en legde een bankbiljet voor mijn neus, ruim voldoende om zijn schuld aan de kastelein te voldoen.
 "Wilt u zo vriendelijk zijn, om straks even voor mij te betalen. De parfumerie heb ik niet zo gauw kunnen vinden. Maar goed ook. Prettige avond nog". En bijna geruisloos verliet hij het café.

zondag 29 mei 2011

't Kon minder

Ik mag die Groningers wel: ze zijn relativerend en zuinig, niet alleen met geld, maar ook met hun oordelen, en de lichtvoetige poézie vindt er kennelijk een vruchtbare voedingsbodem, want het kan toch geen toeval zijn dat Kees Stip, Jean Pierre Rawie, Daan Zonderland en Rutger Kopland allen van Groninger origine zijn.

Het relativerend vermogen van de Groninger wordt heel treffend tot uitdrukking gebracht in zijn lijfspreuk "'t Kon minder". De westerling, die in Groningen emplooi zoekt en/of gaat wonen, wordt al gauw geconfronteerd met de noordelijke afstandelijkheid, de overigens niet slechte gewoonte om  de kat eerst geruime tijd uit de boom te kijken, alvorens tot vormen van intiemer contact over te gaan. Alleen de financiële zuinigheid wil de Groninger nog wel eens parten spelen. Zo werd een gemeentesecretaris van Winschoten eens wegens onbekwaamheid ontslagen, maar liet men hem uiteindelijk toch maar zitten, omdat dat minder geld kostte. Later is hij overigens alsnog ontslagen.

Maar poëtisch is er met de Groningers niets mis. Een kleine ode, in dit geval aan Kees Stip, lijkt mij dan ook wel op zijn plaats:

Ik houd van O'Mill en van O-benen:
Je ziet er zo gemakkelijk doorhenen,
En al is ook Rawie mij niet ongenegen,
Voor mij is toch met Stip gestegen,
De light-verse-poëzie van Trijntje Flop:
Opperlandse taalkunst in een notedop.

Nou... notedop... Hij heeft heel wat van die mooie pronkjuweeltjes geschreven. Ter lering ende vermaek. En omdat iedereen zich wel eens aan een vorm van epigonisme overgeeft of misschien zelfs wel "schuldig" maakt, doe ik dat hier ook maar even. U vergeeft me wel:

Een lastdier sprak onlangs te Schalkhaar:
"Wel verdulleme, wat is die balk zwaar.

Maar zit men goed bij kas,
Dan komt het vaak van pas,
Als men zo hier en daar wat ezels kent,
Want die zijn immers balken wel gewend".

zaterdag 28 mei 2011

Kom(kom)mer en kwel

Omdat vooral vrouwen het slachtoffer blijken te zijn geworden van de besmette Spaanse komkommers (wat mij overigens niet onlogisch voorkomt), leek het mij niet ongepast, om mijn dochter in zorgvuldig gekozen en kiese bewoordingen te waarschuwen voor het onoordeelkundig gebruik van de komkommer.

Weliswaar heeft een deskundige verklaard, dat vrouwen de maaltijd plegen te bereiden en daardoor ook de grootste kans op besmetting lopen, maar naar mijn op meer praktische ervaringen gestoelde mening is dat maar de helft van de waarheid. Alleen: hoe vertel ik dat mijn dochter? Indien al nodig...
Dat de deskundige er bij zijn verklaring kennelijk van uitgaat, dat het meestal de vrouw is, die het eten bereidt, doet vermoeden, dat naar zijn mening de emancipatie nog nauwelijks vorderingen heeft gemaakt en de huisman nog een onbekend verschijnsel is. Maar dit nu even terzijde.

Er zijn trouwens méér natuurproducten van Spaanse origine, die - eh... hoe zal ik dát nou zeggen... - de gemoederen wel eens bezighouden. En soms zelfs voor ophef zorgen.


- Hé pap, wat leuk dat je belt. Dat gebeurt ook niet iedere dag. Waar zit je?
- Min of meer tussen de komkommers, althans bij wijze van spreken. De EHEC-bacterie is al wat de klok slaat, dus leek het mij niet overbodig om even te informeren, hoe het met jouw komkommergebruik is gesteld.
- Pap, weet je, als je mij zoiets vraagt, weet ik nooit precies, hoe je dat bedoelt en of ik er iets achter moet zoeken. Want ik kén je zo langzamerhand.
-Wat zou je er achter moeten zoeken? Je kunt komkommers eten en....
- ... en je kunt ze ook níet eten.
- Precies. Dan hebben we elkaar in ieder geval goed begrepen. Zoals de maker van dit gedichtje, dat ik ergens op Internet tegenkwam, het vermoedelijk ook goed heeft begrepen:
Hoe  krommer de komkommer,
Hoe knellender de kwel,
Maar beschut door enig lommer,
Lukt 't ook met een kromme wel.
- Nou pap, ik vind het maar een raar gedichtje. Dat ga je toch alsjeblieft niet op je webklog zetten, hè?
- Nee hoor Ger, wees maar niet bang. Ik zou geen lezer meer overhouden. Als jij in elk geval maar om je gezondheid denkt.
- Dat doe ik. En daar heb ik echt geen komkommer voor nodig.
- Dat is in ieder geval een geruststellende gedachte. Want aan zaken voor multi-funktioneel gebruik zit haast altijd een luchtje. Dat zie je nu maar weer. Pas goed op jezelf.