Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


vrijdag 4 november 2011

Uit de grabbelton

De wel eens gehoorde mening, dat Ronnie Tober in Duits sprekende landen optrad als Richard Tauber, is onjuist. Ook al zongen beiden over rozen, de één in Tirol, de ander voor Sandra. Evenmin is Richard Tauber hier ooit opgetreden onder de naam Ronnie Tober. Wel is de Oostenrijkse tenor door een Française eens aangezien voor Ronnie Tober.

* * * * *

Laatst liet iemand zich zonder een degelijke onderbouwing spontaan ontvallen: “De vrouw zij geloofd en geprezen”. Onzin natuurlijk, want waarom zou je een vrouw geloven, voordat je weet hoe ze geprijsd is?

Het is alom bekend en ook bewezen,
Dat een vrouw, laag geprijsd doch hoog geprezen,
Een man bij voorkeur doet geloven,
Dat zij zich van haar eer niet laat beroven.

Slaat eigenlijk nergens op, maar het rolde spontaan uit mijn toetsenbord. Draadloos; vandaar dus dat er geen touw aan vast te knopen is

* * * * *

De deken deelt in het bisdom de lakens uit, maar wat daaronder gebeurt, wordt meestal met de mantel der naastenliefde bedekt.

* * * * *

Als een woord verkeerd gespeld staat in het woordenboek, hoe kom je er dan ooit achter, hoe het wel geschreven moet? Ik weet er alles van, want het woord boekenlegger, dat onlangs even spontaan als vanzelfsprekend aan mijn toetsenbord ontsnapte, heb ik in opdracht van Van Dale moeten veranderen in boekelegger. Dus zonder n, waarschijnlijk omdat je zo’n bladwijzer maar in één boek tegelijk kunt leggen, al is hij uiteindelijk wel bestemd en ook geschikt om in meerdere boeken zijn diensten te bewijzen. Ik heb meneer Van Dale blindelings gehoorzaamd, al kwam het niet alleen mij, maar ook een trouwe lezer ietwat vreemd voor. In de Spellingwijzer komt het synoniem van bladwijzer niet voor, maar wel op de site van Onze Taal. En daar word je alleen verder geholpen, als je boekenlegger invult.

Soms wordt een wijzer in een boek gelegd,
Doch komt hem dat niet zo gelegen.
Want onder ons gezegd en ook gezwegen,
Zelfs een wijzer komt soms raar terecht.

Maar wie moet je in dit geval nu terechtwijzen? Overigens maakt het de spellingcontroleur van deze tekstverwerker helemaal niets uit hoe je boekenlegger spelt. Hij vindt het allemaal wel best.

* * * * *

“Er waait een wind van ademend verlangen”, schreef de dichter J.C.Bloem en werd prompt voor petomaan uitgemaakt.

maandag 31 oktober 2011

Verval

Eens leerde je je dochter lopen,
Nu houdt zij jóu in’t juiste spoor.
Maar er is ook iets mis met je gehoor:
De tijd begint je ongemerkt te slopen.

Zo openbaart zich menig mankement
Soms als je 60, soms pas als je 80 bent.
En mocht je als man nog eens wat willen,
Dan ben je aangewezen op Viagra-pillen.

Je haren vallen uit of worden langzaam grijs,
Je kinderen verklaren je voor niet goed wijs
En is er ook nog eens iets mis met je urine,
Dan nadert al heel snel de status van ruïne.

---------

Wat mijzelf betreft laat zich dit proces eenvoudig in beeld brengen, al deed ik dat in ander verband hier al eerder.


 

zondag 30 oktober 2011

Bladluis

In iedere boekelegger schuilt wel iets van een voyeur. En mits je maar niet bij een predikant of wetenschapper terecht komt, kan je als bladwijzer aardig aan je trekken komen:

Al jong wou ik een boekelegger wezen,
Om te kunnen zien, wat mensen zoal lezen.
En als het lezen weer wordt opgeschort -
Meestal net wanneer het spannend wordt -
Word ik vaak heel behoedzaam neergevlijd,
Op plaatsen, waar wat wordt (tentoon) gespreid.

Dit gedicht werd geschreven, toen ik op bl. 76 van “Ik ook van jou” (22e druk) van Ronald Giphart lag en mijn ogen uit keek. Lang heb ik daar overigens niet gelegen.

Ooit heb ik tijdens mijn werk eens een hele mooie bladwijzer (of eigenlijk bladwijzeres (naar analogie van onderwijzer - onderwijzeres) ontmoet. Dat was in een wetenschappelijk boek. Zij lag achterin, tussen de noten en ik op de pagina, waar de lezer met zijn studie over het leven van Lodewijk van Deyssel gebleven was. We kwamen wel steeds dichter bij elkaar te liggen, maar hebben elkaar eigenlijk nooit helemaal bereikt. Zij kwam later in “De koele meren des doods” terecht, maar wist het hoofd gelukkig boven water te houden.

Ik weet nog goed, dat ik toen in “De donkere kamer van Damocles” ben beland. Ondanks dat daar geen hand voor ogen was te zien, zie je als bladwijzer toch heel wat van de boekenwereld.

Ik heb mijn ervaringen gebundeld in “De lotgevallen van een boekelegger”. Ik kom er nog op terug.

zaterdag 29 oktober 2011

Misverstand

U zult niet wakker liggen van het feit, dat mijn dochter niet meer met de auto naar haar werk gaat, maar met de trein. Met de fiets gaat ze naar het station en dan verder over de rails. Niets bijzonders. Maar de manier, waarop zij mij dat vanmorgen mededeelde, laat toch weer eens zien, hoe verwarringstichtend onze Nederlandse taal kan zijn:

- Om zeven uur moet ik al de deur uit. Ik neem dan de fiets, die ik stal bij het station en….
- Dat mag niet!
- Wat mag niet?
- Een fiets stelen.
- Dat weet ik ook wel.
- Waarom dóe je het dan?
- Waarom doe ik wat?
- Een fiets stelen…..
- Ik steel helemaal geen fiets. Hoe kom je daar nou bij?-
- Je zegt het anders net zelf: “ik neem de fiets, die ik stal bij het station…”. Heb je nou die fiets gestolen, ja of nee?
- Nee pap! Nóg een keer dan: ik neem mijn fiets, mijn eigen ouwe fiets – je weet wel – en stal die in de stalling bij het station. Zo beter?
- Zég dat dan meteen. Ik dacht al: mijn dochter doet zoiets toch niet…
- Nee, jouw dochter doet zoiets inderdaad niet. Maar als je zo vroeg op de morgen dan toch al zo kien bent, vertel me dan maar eens, waar op een schaatsbaan van 400 meter de lijn ligt, die precies 400 meter lang is.
- Ik zou zeggen: een 400 meter-baan is een 400 meter-baan. Die is dus overal 400 meter.-
- Nee, natuurlijk niet. De buitenbaan is toch veel langer dan de binnenbaan. Daarom wisselen die schaatsers beurtelings van baan. Kijk maar eens op de televisie als straks Sven Kramer en Marianne Vos weer hun rondjes gaan rijden. Het zijn trouwens helemaal geen rondjes. Het zijn zelfs niet eens ovaaltjes.
- Hoe kom je ineens aan al die wijsheden? Marianne Vos is overigens een wielrenster hoor.
- Nou ja, Atje Keulen-Deelstra dan. Maar met die vraag kwam gisteravond op de Wasknijper ineens iemand aanzetten. Hij dacht, dat iedereen wel zou weten, waar die 400 meter lijn loopt, maar niks hoor. Het werd bijna slaande ruzie. Dat was lachen.
- Ik dacht, dat jullie heel andere dingen deden op de Wasknijper.
-
Doen we ook, maar de geest mag niet verwaarloosd worden.
- Nou Ger, ik zal erover nadenken. Of is het een grap?
- Niks grap. Gewoon even logisch nadenken:  een wedstrijd-schaatsbaan van 400 meter met een binnenbaan en een buitenbaan, van elkaar gescheiden door zo’n sneeuwrandje of blokjes. Maar waar loopt nou de lijn, die precies 400 meter lang is?

Breinbrekend werk dus op mijn vrije zaterdag.

En vervelend hoor, dat de tegenwoordige tijd van het ene werkwoord tevens de verleden tijd is van een heel ander werkwoord. Maar u bent in ieder geval gewaarschuwd. Mocht ik hier nog eens beweren, dat ik een zwijn stal, dan wil dat dus niet zeggen, dat ik een zwijn gestolen heb, maar zo’n dier gewoon bezig ben te stallen op of in de daarvoor bestemde plaats, de zwijnenstal.

En als ik eens een bezemsteel steel…. Enfin, u komt er wel uit.

donderdag 27 oktober 2011

Contradictio

Een naturist, die pruimen had gejat,
Werd door een agente in de kraag gevat,
En door haar – zeer gecharmeerd,
Ter plaatse grondig gefouilleerd.

Dat was nog eens een attente agente. Naar ik uit het proces verbaal heb begrepen, had de fouillering niet veel om het lijf en is de naturist er verder zonder kleerscheuren afgekomen.

Ik ben even naar de groenteman. Kom zo terug…

woensdag 26 oktober 2011

Liefde maakt doof

Laatst kreeg ik een schoolfoto van véél te lang geleden onder ogen: jongens en meisjes in hun mooiste en beste jaren (veronderstel ik gemakshalve maar even), verwachtingsvol de lens en het leven in kijkend. Ik herkende er nog drie. Na een uur herkende ik er nog maar drie niet meer. Daaronder gelukkig niet het meisje, waar ik in die tijd zo verliefd op was en die ik in een overmoedige bui eens heb toevertrouwd, dat ik later graag verpleger wilde worden. Had ik dat maar nooit gedaan, want het leidde kort daarop tot een vreemd misverstand. Toen ik haar naar huis had gebracht, had ze kennelijk iets tegen me gezegd, waarvan ze onmiddellijk spijt had. Het volgende gedichtje daarover heb ik tot de dag van vandaag bewaard:

Zij vroeg mij om verschoning,
Die ik haar prompt ook gaf.
Dat gebeurde in haar woning.
Háár leek het meer een straf,
Maar ík ervoer het als beloning.


Het ongeluk kan in een klein (taalkundig) hoekje zitten. Het is dan ook niks meer geworden. En verpleger ben ik ook niet geworden, want ik bleek niet tegen bloed te kunnen.

De foto zal ik niettemin zorgvuldig bewaren, al sloeg de schrik mij om het weke hart, toen ik uit betrouwbare bron vernam, dat een aanzienlijk deel van mijn geportretteerde klasgenoten van weleer inmiddels al is overleden.

Als ik erover na ga denken, krijg ik dit voor ogen.

maandag 24 oktober 2011

Uit de lappenmand

 Het woord lap komt in de Nederlandse taal in zoveel betekenissen en samenstellingen voor, dat het de moeite loont om er een verzameling van aan te leggen, teneinde er nadien voor allerlei poëtische, taal-acrobatische en andere vernuftige doeleinden uit te kunnen putten. Zo ontstond mijn lappenmand, waar ik zelf ook wel eens in zit, maar waaruit ik nu wat lappen haal (ik wind er dus geen doekjes om) voor dichterlijk en ander speels gebruik.

Een speklap sprak laatst tot zijn kameraad:
”Fijn, dat het jou ook naar den vleze gaat”.
”Dat zal mij worst zijn”, sprak toen deze,
”Zolang mijn vrouw een bal gehakt wil wezen”.

Lappen zijn er in vele soorten en maten, van smartlap tot zatlap, van laptop tot lapzwans, van smeerlap tot speklap. En zo zijn er nog veel meer te bedenken. Ik wil het gras niet voor uw voeten wegmaaien.
Er zijn ook kleine lapjes. Een lapje om ergens voor te houden, zodat je je niet hoeft te schamen. Maar je kunt ook een lapje voor iemand houden. Níet erachter, want dan houd je jezelf voor het lapje.
Lappen als werkwoord komt ook in diverse betekenissen voor. Je kunt schoenen, ketels en ramen lappen en als dat nog niet voldoende is, kan je er altijd nog iemand bij lappen. En ben je dan nóg niet tevreden, dat lap je het hele zootje gewoon aan je laars.

Gedichten blijven lapmiddelen om iemand iets diets te maken, maar in dit kader kom ik er niet onderuit:

Een luie lapjeskat uit Trinidad,
Was het lappen van de ramen zat.
En wel om de simpele reden dat
Haar zemelapje onlangs is gejat.

Tijdens onze koloniale jaren is het woord lap ook in Engels sprekende gebieden ingeburgerd en overgenomen. Het heeft daar wel een andere betekenis en een andere meervoudsvorm gekregen, maar ik kom het woord vooral bij sportwedstrijden (schaatsen, auto- en motorrennen e.d.) regelmatig tegen. Ik vertaal het voor de zekerheid maar even voor u:  Nog drie lappen te gaan (3 laps to go; u heeft het vast wel eens in een hoekje van uw beeldscherm zien staan.

Tot slot nog enige bijdragen van derden, zodat het geheel toch met recht het aanzien van een lappendeken krijgt:

Een speklap sprak laatst tot zijn kameraad:
”Fijn, dat het jou ook naar den vleze gaat.
Voorts is het me een worst,
Dat je al m’n vet vermorst”.

(H.S. te A)

Een speklap sprak laatst tot zijn kameraad:
”Fijn, dat het jou ook naar den vleze gaat”.
”Beter althans dan ‘t mij vergaat”, sprak speklap drie,
”’k Lig in de lappenmand met E-coli”.
(J. van D. te H.)

Zo ziet u maar in welke uiteenlopende richtingen  twee simpele dichtregels de fantasie kunnen sturen.