Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


donderdag 12 januari 2012

Gesprek

In de wachtkamer van de polikliniek zat een man zonder hand. Nu treft men zo kort na de jaarwisseling in ziekenhuizen wel vaker mensen aan, die een onderdeel missen. Soms worden die bij het krieken van de (nieuwjaars)dag nog wel eens teruggevonden in sloot of struikgewas. Maar deze man was zijn hand echt kwijt. Wel had hij een plastic zakje bij zich met een hier en daar rood gekleurde inhoud, zodat ik even moest denken aan de jongeman, die de vader van zijn vriendin heel netjes om de hand van zijn dochter vroeg en die ook per kerende post kreeg toegestuurd, maar het zakje van déze man bleek twee dikke boterhammen met rosbief te bevatten.
Nieuwsgierig van aard als ik ben, vroeg ik mij af, wat een man zonder hand bij de afdeling Oogheelkunde moet.
”Zit u wel goed?”, probeerde ik voorzichtig.
”Ik zit prima, dank u”, zei hij zonder aarzelen.
”Ik bedoel… eh…” en keek opzichtig naar waar een ander mens een hand heeft.
”O dat… ja, zonde hè?”
”En onhandig zeker?”
“Dat kan je wel zeggen ja. Ik voel me behoorlijk onthand”.
”Kettingzaag?”
”Vuurwerk. Ik zeg tegen m’n vrouw: ‘Ook in het nieuwe jaar steek ik m’n hand voor jou in het vuur’ en maakte ook zo’n soort gebaar. Ee
n knal en weg hand”.
”Niet meer teruggevonden?”
”Niks. Helemaal weg. Foetsie”.
”Wat sneu…”.
”Ik heb nog wel een paar jongens met iets weg zien hollen, maar ja, op zo’n moment ga je daar niet achteraan. Stel je voor dat het tot een handgemeen zou komen”.
”Maar waarom zit u hier nu op de afdeling Oogheelkunde?”
”Omdat ik geen hand voor ogen zie en ik van die lui wil weten, hoe dat komt”.
“Dat kan ik u ook wel vertellen…”.
”Ja, dat zal wel, maar ik hoor het toch liever van een deskundige, als u ‘t niet erg vindt”.
”Daar hebt u gelijk in. Ze zullen u zeker een handje kunnen helpen”.
“En nog liever aan een handje, want ik vind het maar niks, om hier niks te hebben. En waar niets is, verliest de keizer zijn recht”.
”Zo is het”.
”Misschien kunnen ze mijn linker hand verplaatsen naar mijn rechter arm. Ik ben namelijk rechts, ziet u”.
“Dat moeten ze hier in een handomdraai kunnen doen”. zei ik bemoedigend. “Maar misschien hebben ze in het magazijn nog wel een rechterhand in voorraad”.
”Ja ja, maak er maar een geintje van. Waar komt u trouwens voor?”
”Voor m’n oog”.
“Ik zie niets aan uw oog”.
“En ik zie er niets mee”.
”Oh, dat is vervelend. Héél vervelend. Dus u kunt uw secretaresse alleen nog maar onder drie ogen spreken?”
”Inderdaad, als ik er één had”.
”Eén oog?”
”Nee, een secretaresse”.
”Nou, u ziet maar”, zei hij en stond op.

Hij wilde me een hand geven, maar bedacht zich nog net op tijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen