Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


dinsdag 3 januari 2012

Van boven

Adriaan van Boven werd geboren boven de kledingzaak van zijn ouders in het centrum van Winschoten. Zoals al eerder hier opgemerkt, wilde hij sluiswachter worden en was in zijn jeugd dan ook regelmatig aan de waterkant te vinden. Maar hij werd uiteindelijk tandarts. Adriaan van Boven had één zuster, die Haar werd genoemd. Ze heette eigenlijk Harrigje, maar had zo’n hekel aan die naam, dat ze zich vanaf haar veertiende alleen nog maar Haar liet noemen. Dat de jongens uit haar klas natuurlijk regelmatig vroegen, of ze alleen maar haar van boven had, deerde haar niet. Al te nieuwsgierige jongens vroeg ze dan, of ze dat écht graag wilden weten. De meesten dropen dan wel schuchter af, wetende, dat Haar van Boven niet alleen haar van boven had, maar ook op haar tanden.
Met de enkeling, die toch geïnteresseerd bleef, maakte ze dan heimelijk een veelbelovend afspraakje achter het fietsenhok. Aan wie ook daadwerkelijk kwam opdagen, vroeg ze voor de zekerheid nog eens, of hij echt wilde weten, of zij alleen haar van boven had.  Als dat enthousiast en hoopvol werd bevestigd, zei ze luid en duidelijke: “Nee, niet alleen van boven” en ging naar huis.
Een enkele keer gebeurde het, dat een jongen zich niet zomaar af liet schepen en bewijs verlangde. In dergelijke gevallen stond Adriaan met een meterslange stok in de buurt paraat, om daar een stokje voor te steken.

Met die stok was Adriaan doende, zich als enige Groninger in het fierljeppen te bekwamen. Hij had zich ten doel gesteld om ooit nog eens de overkant van het Winschoterdiep te halen. Hoewel hij al aanmerkelijk verder sprong dan zijn polsstok lang was, belandde hij toch steeds weer in het water. Tot hij op zekere dag de houten polsstok alleen nog maar gebruikte om eventuele belagers van zijn zuster van haar lijf te houden en voor het springen een stok van glasfiber aanschafte, zoals die in de atletiek wel wordt gebruikt. De stok zwiepte hem niet alleen op, maar ook ver. En niet zonder trots wist hij de resultaten van het fierljeppen van dag tot dag te verbeteren. Het halen van de overkant bleek nog een kwestie van tijd.

Adriaan ljepte al heel aardig fier, toen ik hem op een ietwat ongebruikelijke manier leerde kennen. Het gebeurde in de tijd, dat ik als schipper nog allerhande vrachten over de West-Europese binnenwateren vervoerde.

Toen ik in de jaren negentig van de vorige eeuw eens met een lading zand, bestemd voor de aanleg van de A 7, ter hoogte van Scheemda voer, zag ik plotseling een man met en polsstok op het water afrennen. Voor ik goed en wel besefte, wat er gebeurde, was hij al geland op de berg zand in het tweede ruim van mijn Cornelia. Alsof het zo gepland was. Hetgeen naderhand inderdaad het geval bleek. Mijn verontwaardiging en woede omtrent zijn onverantwoordelijke gedrag maakten al gauw plaats voor bewondering, toen hij mij ervan had overtuigd, dat hij zijn sprongen met grote precisie kon uitvoeren en geen moment had getwijfeld of hij wel goed terecht zou komen.

En inmiddels weet ik: zo fier als hij ljept, ljept er niemand in Groningen. Maar het was toen wel even schrikken… Met zijn onverwachte bezoek aan boord wilde hij mijn medewerking inroepen voor het verkrijgen van een baan als sluiswachter. Maar ik heb hem niet kunnen helpen.  En anderen blijkbaar ook niet, want hij is uiteindelijk tandarts geworden. En zal ongetwijfeld met ingang van dit jaar zijn tarieven flink hebben opgeschroefd, want hij had vanaf de eerste dag eigenlijk een hekel aan zijn werk en was ook niet te beroerd om dat aan lastige patiënten te laten blijken. Als hij een hekel aan iemand had, liet hij tijdens het boren het geluid van een drilboor in beton horen, dat hij eens tijdens sloopwerkzaamheden had opgenomen.

Zijn conversatie met zijn patiënten bestond geheel uit termen, ontleend aan de tandheelkundige praktijk. Dat pakte wel eens verkeerd uit, zoals die keer, toen hij tijdens wat pijnlijke manoeuvres zei: “Nog eventjes de tanden op elkaar……” en de patiënt daar onmiddellijk gevolg aan gaf.
Tot iemand, die zijn tanden en kiezen had ingeleverd in ruil voor een prothese, zei hij na het trekken meestal: “Zo, u staat voorlopig niet meer met een mond vol tanden”.
Op een voor de patiënten duidelijk zichtbare plaats had hij aanvankelijk de tekst “Ook dit gaat weer voorbij” aangebracht, later evenwel vervangen door “Oog om oog, tand om tand”. Het is tenslotte kiezen of delen in het leven.
En zonder schroom liet hij na een behandeling vaak weten: “Zo, ik heb uw gaatjes en u mijn zakken weer gevuld”.

Vlak naast zijn boortoren had hij een paar boeken neergelegd: De tandeloze tijd van A.F.Th van der Heijden en Ivoren wachters van Simon Vestdijk. Soms bladerde hij er tijdens de behandeling
demonstratief in, als betrof het een tandheelkundige handleiding.
Met de woorden “ik zie er geen gat in” verwees hij wel eens patiënten door naar de kaakchirurg 

Een vrouw, die zich zijn behandeling met zichtbaar genoegen liet welgevallen en na de sessie vroeg, of ze nog eens gauw terug mocht komen, doch er veelbetekenend aan toevoegde: “Maar kiezen op elkaar, hoor”, is hem tenslotte noodlottig geworden. Hij is ermee getrouwd. Hij loopt nu op zijn (eigen) tandvlees.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen