Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


maandag 19 september 2011

Opruiming

Mijn opmerkingen over hoe slecht mensen, van wie je het tegendeel verwacht, de Nederlandse (uit)spraakkunt beheersen, hebben mij diverse mp3-tjes opgeleverd. Dat zijn digitale geluidsbestandjes met in dit geval een keur aan koddige uitspraken en versprekingen. Ik zou ze u graag laten horen, maar de techniek laat me even in de steek.

Het Genootschap "Onze Taal" heeft al jaren geleden een aantal vrolijke versprekingen en andere taalkronkels (die men malapropismen is gaan noemen), verzameld en uitgegeven onder de veelzeggende titel Een slipje van de sluier. Ik kan niet laten, daar even wat uit te citeren:

- Hij kon niet aanzien hoe zijn moeder wegkwijlde van verdriet
- Robert Long is een typisch voorbeeld van een echte narcis
- Toen ik dat hoorde, ging er een belletje branden
- Mijn dochter studeert piano aan het sanatorium
- Ik ben lesbisch voor een primula
- Zuster, ik word toch niet weer gekatalyseerd?

Bij het opruimen van mijn kamer (lees: het orde scheppen in de chaos) kwam ik nog wat gedichtjes tegen, die de eeuwigheid niet hebben gehaald. Misschien nu. Maar eerst een woord vooraf. Gedichten dienen bedachtzaam, langzaam en regel voor regel gelezen en ook voorgedragen te worden. Dat geldt in het bijzonder voor onderstaand "vrije vers", wil het althans enigszins tot zijn recht komen:

Ik lig een ei

op bed te eten.
En naast mij legt mijn vrouw
de krant van heden neer.
De actualiteit in vele gele-
dingen:
Over mensen, die ik persoonlijk kan
benijden
om hoe zij soms de weg bereiden,
als een heer in het verkeer.

In de tijd, dat ik ziek werd van al die gekke koeien in de wei, zal dit gedichtje wel zijn ontstaan:


"Als ik Geertruida III nu eens versier",

Zo overwoog een opgefokte stier,
"En haar vervolgens bij de horens vat,

Wellicht dat ik dan bij dat mokkel,
Een beetje in haar melk brokkel,
Want dat hazen vangen ben ik zat".

Ooit ontmoette ik eens een wegens rugklachten afgekeurde metselaar, die op zijn vijftigste vond, dat hij zijn steentje wel had bijgedragen aan de economie. Hij klaagde steen en been, met dit als resultaat:


Een metselaar uit Henegouwen,

Hield niet zo van stenen sjouwen,
Dus is hij uit verveling maar,
Een luchtkasteel gaan bouwen.

Ik ben de man later nog eens tegengekomen en heb hem nadien bovenstaande kwatrijn toegestuurd. Hij vond het eigenlijk wel mooi en vroeg, of hij, in iets aangepaste vorm, de eerste twee regels later in zijn grafsteen mocht laten houwen:


Hier rust een metselaar uit Henegouwen.

De laatste steen liet hij een ander sjouwen.

Hij leeft nog steeds en is nu aan het afbouwen.



Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen