Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


donderdag 2 juni 2011

Vissen

Op een plaats, waar nauwelijks menselijke activiteiten vielen te verwachten, zat een man te vissen, half verscholen in het hoog opgroeiende gras. Zijn vis-uitrusting zag er uiterst bescheiden en weinig professioneel uit.
"En? Willen ze nog een beetje bijten?", vroeg ik belangstellend, terwijl ik mijn fiets in de berm legde.
"Nee, niet echt. Maar dat hoeft ook niet".
"Hoeft ook niet?"
De man keek me onderzoekend aan, alsof hij zich er eerst van wilde overtuigen of mijn interesse wel oprecht was, of ik het wel waard was om iets toe te vertrouwen, zo leek het wel.
"Ach meneer, weet u wat het is: die hengel is maar flauwekul. Ik zit eigenlijk helemáál niet te vissen. Ik hóu zelfs niet eens van vissen. Vroeger zat ik hier vaak. Zonder hengel. Gewoon wat te dromen, over het leven na te denken, herinneringen op te halen, zoekend naar dingen, mensen, gebeurtenissen, die ik vergeten was. Een soort vissen in het verleden, zou je kunnen zeggen. Heerlijk rustig. Alleen het geluid van het water, de wind en de vogels. Tot er op een dag ineens zo'n soort hulpverlener naast me stond. U kent die types wel: actief als het niet hoeft en afwezig als ze nodig zijn. Of hij iets voor me kon doen? Of alles goed met me was? Ik hoef het u niet verder uit te leggen".
"En?"
"Ik heb 'm in veel te vriendelijke woorden gezegd, dat hij zéker iets voor me kon doen en wel zo gauw mogelijk ophoepelen. Eigenlijk had ik 'm een klap voor z'n kanus moeten verkopen, om het maar eens in onvervalst Amsterdams te zeggen, maar daar ben je dan net weer iets te fatsoenlijk voor. Als je op een plek als deze een tijdje alleen zit, wekt dat kennelijk argwaan en denken de mensen, dat je een eind aan je leven wilt maken of zoiets. Daarom doe ik tegenwoordig maar net, of ik zit te vissen. Dat is dan blijkbaar niet verdacht".
"Mensen zijn achterdochtig geworden", zei ik, toen hij even zweeg.
"Dat zeker. Laatst kwam hier een jongetje van een jaar of tien naast me zitten. Waar hij zo ineens vandaan kwam, weet ik niet. Ik heb een hele tijd genoeglijk met 'm zitten praten, maar ik kan niet zeggen, dat ik me erg op mijn gemak voelde".
"U bedoelt, dat..."
"Ik zal u wat leuks vertellen: een jaar of vijftien geleden liep ik in een warenhuis, toen een knulletje van een jaar of vijf naar mij wees en tegen zijn moeder zei: "Kijk, daar is papa". Ik legde mijn hand op zijn blonde krulletjes, boog me voorover en zei, met een glimlach naar zijn moeder: "Ik ben je papa niet. Was het maar waar". De vrouw glimlachte terug en maakte een verontschuldigend gebaar. Ik zal het nooit vergeten. Als me vandaag hetzelfde zou overkomen, zat ik vijf minuten later in de cel. Het is precies wat u zei: de mensen zijn achterdochtig geworden. Het vertrouwen is er niet meer. Misschien hebben we het er met z'n allen wel naar gemaakt".
In het gras lag een notitieboekje. De man zag, dat ik er naar keek.
"U denkt misschien, dat ik daarin noteer, wat ik op een dag heb gevangen. In zekere zin is dat misschien ook wel zo, want ik schrijf er mijn herinneringen in op. Soms is een enkel woord genoeg. En soms dwingen de emoties me wel eens tot wat meer. Een mens is nu eenmaal wat zijn omgeving hem of haar ervan heeft laten maken".

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen