Deze weblog beoogt niet meer (en ook niet minder) dan een proeftuintje te zijn, waarin wordt geëxperimenteerd en gejongleerd met taal, zowel in proza als in poëzie. Neemt u de inhoud niet altijd even serieus: Wahrheit und Dichtung kunnen mijlenver uiteen liggen, maar soms ook verrassend dicht bij elkaar.

En schroomt u vooral niet om te reageren: rebekking@gmail.com


dinsdag 19 april 2011

(On)zin

Immer speurende naar interessante mensen en gebeurtenissen kwam ik tijdens mijn dagelijkse wandeling op deze zonnige en warme dag een heel guur en behouwen type tegen, een man met verzorgd uiterlijk en nette manieren, die ik nog van vroeger kende. Toen - ik spreek nu van een jaar of twintig geleden - was het nog een heel onooglijk en onbeduidend mannetje, die (dat) je nog geen cent zou geven. Hetgeen ik dan ook nooit gedaan heb. Sinds hij een veel jongere vrouw heeft leren kennen, is hij helemaal ten goede veranderd. Ging hij vroeger  vaak berispelijk gekleed, nu stak hij keurig in het pak en gaf hij blijk van zeer besuisd gedrag. En dat was vroeger wel anders. Ik vroeg, hoe het met hem en zijn vrouw gesteld was. Hij gaf onomwonden te kennen, dat hij zelfs een welgesteld man was geworden en dat zijn vrouw op dit moment toevallig ook gesteld was. "Dus dit zijn mooie dagen", voegde hij er nog met een knipoog aan toe.


En zo bracht een toevallige ontmoeting me op het idee om het hier vandaag eens te hebben over het gebruik van het voorvoegsel on in de Nederlandse taal, hetgeen u uit de inleiding natuurlijk ook al had begrepen. In de regel heeft on de betekenis van niet. Met het plaatsen van het voorvoegsel on voor een woord wordt een tegen(over)gestelde betekenis verkregen. Dat is soms handig, maar ook wel eens onhandig. Want er blijken toch ook de nodige woorden te bestaan, die weliswaar met on beginnen, maar waar men toch tot vreemde resultaten komt als men het voorvoegsel weg zou laten. En dan doel ik niet op woorden als ons, onder, onkel, ondulatie of ontologie, maar heb ik meer het oog op woorden als onooglijk, onstuimig, onverlaat, onlangs en nog enige. En dan laat ik de vier mogelijke combinaties "(on)stuimig (on)weer" nog maar buiten beschouwing, om het niet al te ingewikkeld te maken. 
Ik heb zo het gevoel, dat we tucht toch niet helemaal zien als het tegenovergestelde van ontucht. Hoewel er in het leger wel eens onoirbare dingen gebeuren tussen militairen van beiderlei kunne, gaat het mij toch te ver om hier van krijgsontucht te spreken.  Of, iets anders geformuleerd: men hoeft nog geen ontucht te bedrijven om in strijd te handelen met de krijgstucht. Mijn mildheid in deze zal wel voortkomen uit het besef, dat hier ook de man een (wapen)rok draagt, zij het wel zonder onderrok.


Hoe mijn dochter over dit alles denkt, zal gauw genoeg blijken, want zij leest mijn stukjes altijd met een behoorlijke dosis verschilligheid. En dat is maar goed ook, al wordt voor de buitenwereld zo wel erg manifest, dat wij niet vaak enigheid hebben. Of vindt u "vaak onenigheid hebben" toch beter klinken?


Ik herinner me nog goed, hoe Gerda vlak voor haar scheiding van die glamourboy eens dichtte:


Als gij onverlaat mij ooit verlaat
En je baatzuchtigheid je niet meer baat,
Je mij niet langer meer als nozel ziet,
Pas dán besef je, dat je bloed vergiet.


Maar de onverlaat verliet haar wèl. Gelukkig maar, want hij was bepaald geen gelikte beer.
Tussen haakjes: ik kan u aanraden om de herkomst van het begrip "een ongelikte beer" eens op te zoeken. Het zal waarschijnlijk heel menselijk op u overkomen.


Met de constatering, dat ongedierte toch gedierte is en blijft, stop ik deze onzin maar. Morgen weer een ander onderwerp. Met louter vertogen woorden, dat beloof ik u.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen